In de huidige tijd ontstaan steeds meer kansen om verschillende sectoren in de land- en tuinbouw met elkaar te verbinden en circulair te werken. Ook zijn er kansen om te laten zien dat de toegevoegde waarde van agrolandschappen veel groter is dan alleen de productie van voedsel.
De Landbouwrede van Dewi Hartkamp van Glastuinbouw Nederland, uitgesproken tijdens de uitreiking van de Gouden Grepen, ging niet over probleemdossiers en krimp, maar juist over groei in waarde. “In de huidige polycrisis lijkt het vooral te gaan over krimp en minder. Maar in mijn optiek biedt het juist kansen.”
Dewi Hartkamp, programmamanager bij Stichting Innovatie Glastuinbouw Nederland, is optimistisch. Tegelijk koppelt ze dat aan realisme, onderzoek en innovatie. Voor haar staat één vraag centraal: wat is de brede toegevoegde waarde van de Nederlandse land- en tuinbouw en hoe laten we die zien? In haar Landbouwrede, uitgesproken op 17 juni 2026 vlak voor de uitreiking van de Gouden Grepen 2025, gaf ze met veel praktische voorbeelden haar visie op de Nederlandse land- en tuinbouw.
Meer dan alleen productie
Een sterk beeld in haar presentatie was een overzicht waarin glastuinbouw, akkerbouw, melkveehouderij en varkens- en pluimveehouderij naast elkaar stonden. Daaroverheen stonden de uitdagingen die voor al deze sectoren grotendeels hetzelfde zijn: klimaat, energie, emissies, bodem, plantweerbaarheid, arbeid, robotisering, huisvesting, omgeving, grondstofkringlopen, verdiencapaciteit en ecosysteemdiensten. Als elke sector met dezelfde soort uitdagingen te maken heeft, kunnen ze elkaar dan niet helpen? Volgens Hartkamp is het antwoord duidelijk: ja.
Ze gaf daarbij verschillende voorbeelden. Zo vangen enkele tuinders in Limburg sap op uit komkommerloof. Via fermentatie wordt dit opgewaardeerd tot een stabiele meststof, die nu wordt getest op enkele aardappelpercelen. Uit aanvullend onderzoek van de Universiteit Gent bleek bovendien dat het sap helpt bij het verminderen van nematodenpopulaties.
Ook noemde Hartkamp glastuinders die kunstmest bijna volledig vervangen door kippen- en koeienmest. Volgens haar kan die sectoroverschrijdende circulariteit nog verder gaan. Denk bijvoorbeeld aan het verbranden van humane feces, via rioolslib-as, om dit vervolgens in te zetten als fosfaatmeststof in de substraatteelt. “Vorig jaar is de eerste 10 liter fosfaatmeststof uit rioolwaterzuivering geproduceerd”, aldus Hartkamp.
Een ander voorbeeld is een schapenhouder die wol aanbiedt als vervanger van veensubstraat in de bomenteelt en glastuinbouw. “Wie is je buurman en hoe kun je samen een duurzaam, regionaal en circulair systeem creëren?”, vroeg Hartkamp aan de aanwezigen.
Boeren bio-economie
Die oproep onderstreept volgens Hartkamp het belang van een integrale, gebiedsgerichte aanpak. Regionale, circulaire samenwerking zou volgens haar moeten draaien om wat zij “Farming Bioeconomy Landscapes” noemt: boeren bio-economie landschappen. Om dat mogelijk te maken is volgens haar ook beleidsmatig een andere manier van denken en doen nodig. In de praktijk lopen gebiedsgerichte initiatieven nu vaak vast, omdat de omgevingswet, afvalwet of productwetgeving niet goed aansluit bij sectoroverschrijdende regionale initiatieven.
Een ander belangrijk punt is dat de toegevoegde waarde bovenop de voedselproductie niet alleen zichtbaar moet worden gemaakt, maar ook beloond moet worden. “Voedselproductie is de essentie voor de toekomst én de regionale economie. Daarbij is de land- en tuinbouw drager van een economie die ook menselijk is”, besloot Hartkamp.